Wat regelt Ecodesign precies?

Ecodesign ondersteunt een hulpbronnen- en energie-efficiënt productontwerp met gepaste politieke instrumenten. De Ecodesign-kaderrichtlijn bepaalt om welke productgroepen het gaat, en welke kadervoorwaarden van toepassing zijn.

Het gaat met name om energiegerelateerde (-verbruikende) producten die aan de volgende criteria voldoen: er worden in de EU jaarlijks minstens 200.000 stuks van verkocht, ze hebben aanzienlijke gevolgen voor het milieu, en er is een beduidend potentieel om de milieuvriendelijkheid te verbeteren tegen verantwoorde kosten.

  • Waarom verwarmingstoestellen onder deze richtlijn vallen, is duidelijk: de verwarmingstechniek is een belangrijk onderdeel van ons dagelijkse leven geworden. De technische ontwikkeling heeft de voorbije jaren weliswaar duidelijke vooruitgang geboekt op het vlak van energie-efficiëntie bij de bekende merken, maar talrijke goedkope aanbieders proberen hun producten via doe-het-zelfzaken te verkopen. In de toekomst wordt die manier van werken aanzienlijk moeilijker, aangezien er vanaf 26 september 2015 een verbod in de Europese Unie bestaat op het “in de handel brengen” en het “inwerking stellen” van verwarmingstoestellen met brandstofgestookte ketel (stookolie/gas) onder de minimale efficiëntieklasse B (Ƞs ≥ 86%), en van verwarmingstoestellen met warmtepomp (afgiftetemperatuur > 55°C) onder de minimale efficiëntieklasse A+ (Ƞs ≥ 100%). 
  • Vallen buiten het bestek van deze verordening: waterverwarmingstoestellen, verwarmingstoestellen op vaste brandstoffen en brandstoffen ontgonnen uit biomassa, en toestellen die stoom, lucht of thermische olie gebruiken als warmtegeleidend medium. Ook alle reeds bestaande installaties vallen buiten de verordening.

Wat betekent deze Ecodesign-verordening in de realiteit?

Deze verordening zal ervoor zorgen dat de condensatietechniek de standaard wordt bij verwarmingstoestellen met brandstofgestookte ketel (stookolie/gas) voor eengezinswoningen.

Geldt deze nieuwe verordening in alle Europese landen, of zijn er gradaties?

Deze nieuwe verordening treedt op 26 september 2015 in werking en geldt zonder nationale overgangstermijnen in alle landen van de Europese Unie (28).

Wat betekent deze verordening voor bestaande verwarmingstoestellen en voor de voorraad, bijvoorbeeld in de groothandel of bij de fabrikanten? Moeten bestaande installaties omgebouwd worden?

Bestaande verwarmingsinstallaties vallen principieel niet onder deze verordening en genieten van continuïteitsbescherming. Men gaat er evenwel van uit dat er in de komende jaren vele inefficiënte installaties toch vervangen zullen worden, hetzij omwille van de aanzienlijk hogere energiekosten van oude installaties, hetzij door de normale vervanging bij onderhoud. Over het algemeen wordt aangenomen dat de magazijnvoorraad ook niet onder de nieuwe bepalingen zal vallen, aangezien deze verordening hoofdzakelijk het “in de handel brengen” van verwarmingstoestellen in de EU regelt. “In de handel brengen” is één van de belangrijkste concepten van deze verordening. Het betekent: de eerste handeling om ervoor te zorgen dat een product voor de eerste maal op de Europese markt verkrijgbaar is, met de bedoeling om het in de EU te distribueren of te gebruiken.

Wat gebeurt er bij een gedeeltelijke vervanging van verwarmingstoestellen in bestaande installaties?

Zoals gezegd genieten bestaande installaties van continuïteitsbescherming. Wanneer afzonderlijke onderdelen bijvoorbeeld omwille van technische defecten worden vervangen, dan moeten enkel de nieuw ingezette verwarmingstoestellen aan de bepalingen van deze verordening voldoen. Verwarmingstoestellen die niet worden vervangen, zijn bijgevolg niet onderworpen aan de bepalingen van de Ecodesign-verordening. Een uitzondering werd gemaakt voor vervangingsonderdelen. Tot en met 1 januari 2018 wordt toegelaten dat een fabrikant/installateur een voorraad aan vervangingsonderdelen aankoopt bij een toeleverancier (OEM of “Original Equipment Manufacturer”) die vervolgens gebruikt kunnen worden voor herstellingen tot einde voorraad, bijvoorbeeld binnen het kader van de garantie. Vanaf diezelfde datum moeten nieuwe, in de handel gebrachte vervangingsonderdelen ook voldoen aan deze verordening.

Waarop moet ik als installateur voortaan letten?

Iedereen die op een of andere manier verwarmingstoestellen ontwerpt, samenstelt of plaatst, moet er principieel voor zorgen dat er uitsluitend producten worden gebruikt die aan de voorschriften van deze verordening voldoen. Fabrikanten mogen weliswaar vanaf 26 september 2015 geen toestellen meer “in de handel brengen” die niet marktconform zijn, maar ook de professionele ontwerpers en de uitvoerende vaklui hebben altijd een zorgvuldigheidsplicht bij de controle, en moeten nagaan of de in de handel gebrachte verwarmingstoestellen werkelijk aan de bepalingen voldoen. Daarvoor volstaat echter een controle van de energie-efficiëntieklasse aan de hand van het label. Professionele vaklui moeten er principieel op kunnen vertrouwen dat de fabrikanten op dat vlak gepaste maatregelen hebben getroffen en hun producten correct markeren.

Welke voordelen biedt deze nieuwe verordening voor professionelen en gebruikers? Wie haalt er voordeel uit en wie verliest?

Het voordeel van deze Ecodesign-verordening is vooral het algemeen toegenomen rendement van verwarmingstoestellen, en bijgevolg een lagere energieverbruik voor de consument. Bovendien kunnen de verwarmingstoestellen door de nieuwe efficiëntieklassen nog beter op hun rendabiliteit worden beoordeeld en vergeleken. Er is vast en zeker meer duidelijkheid over het energieverbruik en de geluidsemissie (voor verwarmingstoestellen met warmtepomp) – en voor het eerst op dezelfde manier bij de verwarmingstoestellen van alle fabrikanten.

Hoe moeten de nieuwe kencijfers Ƞs, SCOP, SPER en geluidsniveau worden geïnterpreteerd?

Tot nu toe werden verwarmingstoestellen met brandstofgestookte ketel beoordeeld met een nuttig rendement bij hun nominaal nuttig vermogen en bij diverse waterregimes (80/60, 50/30,...). Bij warmtepompen gebeurde de beoordeling door middel van de ‘COP’-waarde. De COP definieerde hierbij het rendement tijdens het verwarmen: de verhouding tussen het gebruikte en het afgegeven vermogen. Tot nog toe werden deze waarden uitsluitend op één enkel bedrijfspunt geëvalueerd. Dat leidde ertoe dat fabrikanten hun toestellen voor een deel alleen op dat bedrijfspunt optimaliseerden. Zo kwamen ze voor het totale vermogen van het product in een efficiëntieklasse terecht die, door de technische uitrusting van de warmtepomp, in bepaalde omstandigheden niet gerechtvaardigd was. Aangezien de milieuaspecten, het energieverbruik tijdens de gebruiksfase en (bij verwarmingstoestellen met warmtepomp) de geluidsvermogensniveaus als significant worden beschouwd in deze verordening, leidde dit tot een nieuwe definitie van ‘seizoensgebonden energie-efficiëntie’ en ‘seizoensgebonden prestatiecoëfficiënt’.

‘Ƞs’ : de ‘seizoensgebonden energie-efficiëntie’ staat voor de verhouding tussen de vraag naar ruimteverwarming in een bepaald verwarmingsseizoen geleverd door een verwarmingstoestel, en het jaarlijkse energieverbruik dat nodig is om aan deze vraag te voldoen.

Bij warmtepompen vinden we verder de SCOP- (elektrisch aangedreven) en SPER-waarde (thermisch aangedreven): ‘S’ staat namelijk voor ‘seasonal’, en betekent dat er verschillende realistische meetpunten zijn bepaald die allemaal in de indeling in de energie-efficiëntieklasse worden opgenomen. Voor het verwarmen kon geen geldig temperatuurprofiel voor heel Europa worden opgesteld. Daarom zijn er drie klimaatzones bepaald: Noord-, Centraal- en Zuid-Europa. Daarvoor werden verschillende belastingsprofielen opgesteld. De meetpunten liggen overal op 12, 7, 2 en -7°C. Dat betekent eigenlijk dat de werking bij deellast van een warmtepomp bij een binnentemperatuur van 20°C, die meer dan 90% van de werking uitmaakt, een even groot gewicht krijgt bij de indeling in de efficiëntieklasse. Het geluidsniveau zal bij warmtepompen worden uitgedrukt in een A-gewogen geluidsvermogensniveau, binnen en/of buiten, uitgedrukt in dB.

Tot de winnaars bij de verwarmingstoestellen horen in de toekomst vooral producten met de innovatieve modulatietechniek. Wat is deze techniek?

Heel eenvoudig. Conventionele verwarmingstoestellen hebben slechts twee vermogensniveaus: ‘aan’ met 100% vermogen, en ‘uit’ met 0% vermogen. Bij modulerende of meertrapswarmtegeneratoren en warmtepompen met volledige inverterfunctie is dat anders: de vermogensafgifte is analoog met de behoefte. Deze geleidelijke aanpassing verbruikt uiteraard veel minder energie. Die technisch moeilijkere oplossing gaat, vergeleken met de gebruikelijke verwarmingstoestellen, in eerste instantie gepaard met hogere investeringskosten. Wanneer je echter rekening houdt met de bedrijfskosten, dan is de prijs van deze techniek na enkele jaren duidelijk voordeliger. Deze verordening zal er nu voor zorgen dat aanbieders van inefficiënte toestellen geen toegang meer hebben tot de EU-markt. Ook goedkope aanbieders die hun artikelen vooral via doe-het-zelfzaken verkopen, moeten in de toekomst aan de minimumcriteria voor efficiëntie voldoen. Dat betekent dat het grote prijsvoordeel in vergelijking met professionele, uiterst efficiënte toestellen in de toekomst kleiner zal worden. De klanten zullen zich dan nog meer dan nu richten tot de bekende fabrikanten op de markt.